donderdag 9 januari 2014

Het fenomeen Diaghilev


Meer nog dan het begin van de twintigste eeuw op zich, intrigeren de figuren die een spil vormden in de kunstwereld maar die zelf geen kunstvorm beoefenden. Ze zijn schaars, die figuren. Misschien is er zelfs maar één van: Sergej Diaghilev.

Diaghilev werd geboren in 1872 in Rusland. Op jonge leeftijd verloor hij zijn moeder, maar zijn stiefmoeder werd voor hem zeer belangrijk. Waarschijnlijk was zij het die zijn interesse voor muziek en voor de organisatie van events aanwakkerde. Maar naast muziek was er het ballet en de schilderkunst. Noem de naam van een kunstenaar uit die tijd en de kans is reëel dat hij groot werd onder de vleugels van Diaghilev: Nijinski, Stravinsky, Debussy, Chanel, Picasso, Matisse, Pavlova,...

Diaghilev had oog voor vernieuwing, het schokeffect was zijn handelsmerk. Hij durfde wat anderen nooit gedurfd hadden en slaagde keer op keer in zijn opzet.
Zeggen dat Sergej Diaghilev geen kunstenaar was, is dus eigenlijk misplaatst. Hij was onmiskenbaar een van de groten.

zaterdag 4 januari 2014

Zee


Is het vreemd om te verlangen naar iets dat je niet kent? Vrouwen verlangen naar een kind nog voor ze er een gebaard hebben, maar Marguerite verlangt naar de zee.
'Weet je wel dat ik de zee nog nooit gezien heb?'
Haar spiegelbeeld kijkt haar meewarig aan.

'Weet je wel dat ik de zee nog nooit gezien heb?'
Nestor aarzelt en neemt eerst een grote slok wijn. 'Ik ook... nee, echt? O, de zee moet je echt wel gezien hebben.'
'Wanneer zag jij die voor het eerst?'
'Ik was nog jong.'
'Is het wat ze ervan zeggen?'
'Helemaal!'
'Vertel.'
Na nog eens een grote slok vertelt Nestor over veel water. Echt heel veel.

Albert trekt een grimas als Marguerite over de zee begint. 'De zee, dat is veel water en meer ook niet.'
'En de vrijheid dan, die je er voelt?'
'Ik voel me altijd vrij.'
Het is ook de vrijheid die hij uitstraalt die Marguerite altijd opnieuw naar Albert toe zuigt.
'Laat mij je zee zijn.'
Samen lopen ze naar zijn huis.

Louise zet het vlees op tafel. Het is bruin en glanzend aan de buitenkant. Ze snijdt het in dikke plakken, het is roze en rood vanbinnen.
Marguerite krijgt er het water van in de mond. Nu zou het dwaas zijn om over de zee te beginnen.
'Wat zie je in hem?' vraagt Louise terwijl ze saus over het vlees giet.
'Vrijheid.'
'Vrijheid moet je zelf vinden.'

Marguerite denkt aan de zee.
Louise scheurt het vlees waar het rood en moeilijk te snijden is.
'Weet je wel dat ik de zee nog nooit gezien heb?'
'Ik ook niet.'
'Verlang je er nooit naar?'
'Is het niet vreemd om te verlangen naar iets dat je niet kent?'
 

Marguerite - Eigen illustratie

vrijdag 3 januari 2014

Het verlangen van Paul Verlaine


Hij snakte naar liefde. Iedereen snakt daarnaar.
Hij zocht naar erkenning, net zoals iedereen.
Paul Verlaine zocht naar houvast door zich aan anderen te meten, door zich aan anderen vast te klampen en door zich weer te laten vallen. Pas als je weet dat je de val aankan weet je wat je waard bent.
Misschien is het vaag, maar toch is het dàt dat me aantrekt in het werk van Paul Verlaine. En dat is het ook dat me nieuwsgierig maakt naar zijn leven.

Verlaine voelde zich aangetrokken tot jonge mannen, zijn relatie met Arthur Rimbaud is gewoon te bekend. Het is een gegeven dat ons te veel afleidt van zijn werk. Want Verlaine voelde zich net zo goed aangetrokken tot vrouwen, zijn gedichten zijn een subtiel vlechtwerk van erotiek en van religie, van verfijning en van grofheid.
Hij heeft ook dat misleidende. Zo weet je als lezer niet meteen hoe het gedicht "Femme et chatte" op te vatten is, het heeft een sterk suggestieve ondertoon maar is in feite gebaseerd op het personage van Cleopatra.


Femme et chatte

Elle jouait avec sa chatte,
Et c’était merveille de voir
La main blanche et la blanche patte
S’ébattre dans l’ombre du soir.

Elle cachait - la scélérate ! -
Sous ces mitaines de fil noir
Ses meurtriers ongles d’agate,
Coupants et clairs comme un rasoir.

L’autre aussi faisait la sucrée
Et rentrait sa griffe acérée,
Mais le diable n’y perdait rien…
Et dans le boudoir où, sonore,
Tintait son rire aérien,
Brillaient quatre points de phosphore.

Verlaine snakte naar liefde, op een verwoestende manier. Rimbaud was één van zijn geliefden. Maar vóór Rimbaud was er zijn vrouw Mathilde Mauté, zij was de ideale vrouw voor hem: jong, knap en rijk. Maar zij bleek niet in staat om hem zoveel liefde en passie te geven als hij nodig had.
Op het einde van zijn leven zocht Verlaine de affectie op van twee vrouwen: Philomène Boudin en Eugenie Krantz. Maar het zijn vooral zijn gedichten die een spiegel blijven van het verlangen van Verlaine.
 
Eigen illustratie
 

woensdag 25 december 2013

Paul Verlaine et Mathilde Mauté


Parlant du poète Paul Verlaine, on parle souvent aussi d' Arthur Rimbaud.
On oublie souvent que Verlaine était marié avec Mathilde Mauté, et qu'il l'a vraiment aimé. Malheureusemt, Mathilde ne s'est jamais montrée une épouse très aimante.

En 1869, à l'âge de vingt ans, Verlaine rencontre Mathilde Mauté, qui elle n'en avait que seize.

C'est en 1870 qu'ils se marieront. Peu après, ils auront un fils: Georges.

Verlaine essaye de s'adapter à une vie bourgeoise et cherche beaucoup d'amour chez sa femme. C'est dans cette période amoureuse qu'il écrit "La bonne chanson".

 

En robe grise et verte avec des ruches,
Un jour de juin que j’étais soucieux,
Elle apparut souriante à mes yeux
Qui l’admiraient sans redouter d’embûches ;

 Elle alla, vint, revint, s’assit, parla,
Légère et grave, ironique, attendrie:
Et je sentais en mon âme assombrie
Comme un joyeux reflet de tout cela ;

 Sa voix, étant de la musique fine,
Accompagnait délicieusement
L’esprit sans fiel de son babil charmant
Où la gaîté d’un cœur bon se devine.

 Aussi soudain fus-je, après le semblant
D’une révolte aussitôt étouffée,
Au plein pouvoir de la petite Fée
Que depuis lors je supplie en tremblant.

(La bonne chanson, Paul Verlaine)

 

En 1871 Verlaine commence une relation avec Arthur Rimbaud, qui a alors dix-sept ans. Le reste est connu...

 

Schopvoeten


Hij draagt geen koffer, hij is vrij.
Zijn stok tikt snel. Albert houdt van wandelstokken, hij houdt er ook van om te tonen dat hij er geen nodig heeft.
Mocht Parijs niet zo'n asociale stad zijn, hij zou de mensen begroeten. Gewoon, om niet te tonen dat hij echt vertrekt. De stad bereidt zich voor op het grote buitensluiten. Terwijl mannen kolen opslaan in achterkeukens, bereiden vrouwen rijkelijke maaltijden in voorkeukens.
Albert haat kerstmis, net zoals hij een hekel heeft aan de moderne cinema en radio's van bakeliet. Zijn soort kruipt met kerst onder de grond. Niet dit jaar.

Dat de dagen kort zijn stoort hem niet. Het schemert al wanneer hij aankomt in Coulommiers. Het ideale excuus om onderdak te zoeken en te rusten. Albert heeft dansbenen, vluchtbenen ook, en gluurbenen. Maar geen loopbenen. Of hij ooit zal aankomen in Charleville is nog maar de vraag. Het maakt niet uit, zijn vluchtbenen brachten hem al tot buiten Parijs.

'Plaats genoeg,' zegt de baardige vrouw die voor hem staat, 'maar niet voor jou.' Ze kijkt hem aan met ogen vol naalden en prikt hem voor haar plezier.'
'Ik heb alleen maar een bed nodig,' probeert Albert.
Haar bulderlach doet hem vluchten.
'Chambres d'Hôtes,' smaalt Albert terwijl hij tegen het paneeltje voor de arbeiderswoning schopt.
Zijn voeten doen pijn. Het zijn geen loopvoeten, het zijn schopvoeten.
Bij de volgende Chambres d'Hôtes is geen plaats meer en bij die daarna ook niet.
Als Albert een bankje ziet, gaat hij zitten.
Hij haat de wereld, zijn lijf verlangt naar Marguerite. Ze zit alleen nu, onder de grond, waar het eenzaam is en donker, maar veel warmer wel dan hier.

De gevel waar hij voor zit is grijs, een grijs gordijn schuift opzij.
Albert ziet een gezicht. Is het Marguerite? Het is een vrouw, zij wuift naar hem. Ze wenkt en opent het raam. Dat hij moet komen, roept ze. Enfin, als hij dat wil.
Albert staat op en loopt naar de deur.
'Slaap bij mij, ik ben alleen,' fluistert ze.
Met grote gretigheid stapt hij naar binnen. Als hij haar hoogzwangere buik ziet, komt de twijfel. Toch, teruggaan doet hij niet.

Hij voelt zich meer ezel dan os, maar hij is wijs genoeg om weer te vertrekken voor zij wakker wordt. Het zijn die vluchtbenen, niets waar hij schuld aan heeft.
Zonder geluid te maken trekt hij zijn hemd en zijn broek weer aan. Hij neemt zowel hoed als wandelstok. Maar het is die verrekte schopvoet die achter het bed blijft hangen.
Zij opent haar ogen en veert recht.
'Hoe dan ook,' zegt Albert, 'ik ben de vader niet.'
'Dat is goed nieuws,' zegt ze. 'Nooit gedacht dat ook ik nog goed nieuws zou krijgen op kerst.'
 


zaterdag 21 december 2013

Witte muizen


Ze is gestopt met kloppen, met bonken en met roepen. Er is niemand die haar hoort. De deur is oud, ze rammelt in het slot. Marguerite zou ze kunnen openrammen als ze dat echt wou. Maar dan zou ze die ook moeten betalen, en dat soort kosten heeft ze niet van doen. En dan nog, als ze uit deze keuken was, dan kon ze nog niet uit het cabaret. Vast is vast.

Ik moet een bed maken, denkt ze, slapen versnelt de tijd. Het is een kleine keuken, veel staat er niet in. Oude handdoeken, een tafel en twee stoelen. Ze zet de stoelen naast elkaar en maakt een kussen met de handdoeken. Misschien kan ze haar hoofd en romp al laten slapen. Alleen dat zou al goed zijn.
De handdoeken stinken, naar ajuinen en naar schimmel. Maar het is niet daarom dat haar ogen tranen. Wat ben ik toch voor een trut... Ze heeft zich zomaar laten opsluiten. Wie verschuilt zich nu uit lafheid? Uit angst voor twee mannen waarmee ze, eerder die week, het bed nog deelde.
Dit is geen keuken waarin gekookt wordt. Er hangen worsten aan de muur te drogen. Er hangen spinnenwebben aan.
Zo lang zal ik hier gelukkig niet moeten blijven, denkt Marguerite. Nog tot 's middags waarschijnlijk, tot monsieur Marin de bar komt openen. Wat zal hij van me denken? Ik zal het hem uitleggen. Dat ik geen keuze kon maken tussen Albert en Nestor, dat ik ze het liefst van alles allebei had meegenomen, zoals je het doet met twee babypoesjes die je verlaten in een dakgoot vindt. Maar dat ik alleen in vluchten mijn heil vond.

Door het kleine raam druppelt wat decemberlicht naar binnen. Dat een mens kan slapen op twee harde stoelen had Marguerite niet verwacht. Toch sliep ze, misschien maar even. Ze droomde over twee muizen die ze in de keuken had zien lopen. Witte, ze waren tam.
Marguerite hoort gerammel aan de deur. Ze denkt aan de witte muizen, zo zal ze het vertellen.


Eigen illustratie

donderdag 19 december 2013

Les Poètes maudits


Les Poètes maudits est un ouvrage de Paul Verlaine. Il fut publié en 1884.
Cet ouvrage contient surtout des notices de Tristan Corbière, Arthur Rimbaud et Stéphane Mallarmé.
Paul Verlaine qui connaissait personnellement ces poètes y ajoutait des anecdotes.

Voici un des poèmes les plus célèbres de Rimbaud, publié dans Les Poètes maudits:

 

A noir, E blanc, I rouge, U vert, O bleu : voyelles,
Je dirai quelque jour vos naissances latentes :
A, noir corset velu des mouches éclatantes
Qui bombinent autour des puanteurs cruelles,

Golfes d'ombre ; E, candeur des vapeurs et des tentes,
Lances des glaciers fiers, rois blancs, frissons d'ombelles ;
I, pourpres, sang craché, rire des lèvres belles
Dans la colère ou les ivresses pénitentes ;

U, cycles, vibrements divins des mers virides,
Paix des pâtis semés d'animaux, paix des rides
Que l'alchimie imprime aux grands fronts studieux ;

O, suprême Clairon plein des strideurs étranges,
Silences traversés des Mondes et des Anges :
- O l'Oméga, rayon violet de Ses Yeux
! -
 

Paul Verlaine